SPEECH UITGESPROKEN OP DE OPENING VAN HET VLAAMSE THEATERFESTIVAL, KAAITHEATER, BRUSSEL

2009 / Thomas Bellinck

een Engelse versie werd gepubliceerd in: De Cauter, Lieven, Ruben De Roo, and Karel Vanhaesebrouck. Art and Activism

in the Age of Globalization. [Rotterdam]: NAi , 2011.

 
WE WAREN AAN HET STERVEN
EN TOEN KREGEN WE EEN PRIJS

                                   Uit een conversatie na onze nominatie:

 

                        -          On a été sélectionné pour un festival de théâtre!

                        -          Théâtre?

                                   Qu'est-ce qu'on a à foutre avec le théâtre?

                        -          C'est pour notre action.

                                   C'est comme un prix.

                        -          Il vont nous donner un prix?

                        -          Non.

                                   C'est comme un honneur.

                        -          Il vont nous aider?

                        -          Non.

                                   C'est comme un honneur.

 

Aan de exemplarische directeur van een exemplarische culturele instelling,

Geachte mijnheer de directeur,

 

Toen wij op 18 maart 2009 met 9 hongerstakers een container op het Muntplein beklommen

om de Brabançonne te zingen, was theater het laatste waar wij aan dachten.

De tranen die vielen, waren echte tranen.

Van echte inspanning.

Omdat sommigen na een maand hongeren het stalen containertrapje niet meer op konden

en naar boven moesten worden geduwd of gesleurd.

Omdat sommigen na 4 maanden in een ondergrondse kelder

moesten wennen aan zoveel zonlicht,

zoveel zuurstof tegelijkertijd.

Het lied dat we zongen, was ook echt ons strijdlied.

Dat hadden we gekozen omdat onze strijd er geen had en omdat dit lied toevallig vrij was.

Omdat niemand het nog wilde bewonen.

Theatraal gezien stelde onze actie dus geen bal voor.

Het idee waarvoor u achteraf applaudisseerde, mijnheer de directeur,

was even weinig geniaal als origineel.

Het is niet zo moeilijk om een paar uitgemergelde mensen een vergeten volkslied aan te

leren, ze in een te groot maatpak te helpen en ze uit te nodigen bovenop een container.

Wat er op dat moment werd gecommuniceerd, was niet de flinterdunne dramaturgie

van een niet al te bijster ingenieus concept.

Wat er op dat moment werd gecommuniceerd, was een maandenlange politieke strijd,

die van hoop via hopeloosheid naar wanhoop had gevoerd.

Wat er op dat moment werd gecommuniceerd, was het isolement, de lethargie, de constipatie,

waren de nierdysfuncties, het afstervende hersenweefsel, de psychoses en de glucosecoma's

van mensen die besloten hadden om te sterven omdat leven niet meer hielp.

Maar die maanden komen niet in de brochuurtjes

omdat het nogal moeilijk valt om daarvoor te applaudisseren.

Mijnheer de directeur,

toen u me achteraf feliciteerde met onze nominatie schrok ik wel even.

          Shit.

          Ik heb per ongeluk kunst gemaakt.

          Dat is mij nog nooit overkomen.

En wat voor kunst: 'gagnant sur le dos des perdants'.

En dat terwijl ik net een fundamentele keuze had gemaakt.

Terwijl ik net had beslist dat ik binnen die context onmogelijk theater kon maken

als mijn hulp op andere vlakken veel dringender was.

Toen u me achteraf feliciteerde met onze nominatie, herinnerde ik me mijn eerste betoging

met sans papiers.

Als bijna enige Belg tussen de vlaggen en de potten en de pannen,

terwijl de slogans door de lucht floten:

          Turtelboom tu as foutu / la jeunesse dans la rue

          1ière 2ième 3ième génération / nous sommes tous des enfants d'immigrés.

Ik klemde een hoekje van een vetbeschilderd wit zeil vast

en probeerde vooral niet teveel op te vallen.

Maar tegelijkertijd wel te laten zien dat ik uiteraard bijzonder geëngageerd was.

Ik trok af en toe wat met mijn mondhoeken, murmelde iets

en dacht bij iedere slogan:

          Ja, ja, alles goed en wel, maar is dat wel zo?

          Want historisch gezien...

          En ja, maar ja, het sociale vangnet...

          En...

En ik voelde mij zo laf, de geëngageerde, links-intellectuele, kritisch reflecterende kunstenaar

die vooral de complexiteit wil blootleggen zonder in eenzijdige politieke pamfletten te vervallen,

die het gebeuren wil blijven contextualiseren, die wil tonen, zo genuanceerd mogelijk.

 

Mijnheer de directeur,

ik begrijp uw vraag naar het geopolitieke denkkader waarbinnen ik opereer.

Ik begrijp uw zin voor nuance - omdat ik hem deel.

Maar in het gevecht is geen plaats voor nuance.

In het gevecht is geen plaats voor onze pose van de weldenkende kunstenaar.

Integendeel, onze zo gekoesterde kritische distantie zet bijna a priori een rem op ons

vermogen om te ageren.

Ik ben niet veel moediger dan u, mijnheer de directeur.

Maar op een gegeven moment ben ik gewoon over de rand gevallen.

Op een gegeven moment ben ik in de ondergrondse kelder gaan wonen.

En ben ik wel eenzijdige politieke pamfletten beginnen schrijven.

Omdat daar nu eenmaal meer nood aan was.

Ik heb heel veel respect voor kunstenaars die maatschappelijk geëngageerd theater maken, 

zoals dat dan heet.

Maar als je je maatschappelijk engageert, engageer je je toch altijd ook menselijk?

Op engagement kleven toch geen werkuren of werkprocesmaanden?

Als je iets maakt 'over', maak je toch bijna automatisch iets 'met'?

Dat is geen kritiek, mijnheer de directeur, maar een vraag.

Waar ligt de grens?

Ik vraag mij dat af.

Ik ben 26.

Ik ben jong en lijd aan een gebrekkig fragmentatievermogen.

Ik kan die grens niet trekken.

En ik wil ze ook niet trekken.

Ik heb me de laatste maanden zo boos gemaakt, mijnheer de directeur,

wanneer u weer eens een tijdelijke artistieke bezetting organiseerde van sans papiers die aten,

sliepen en knuffelactiviteiten meemaakten met de bezoekers aan uw instelling.

Tot uw themaweek voorbij was en de sans papiers konden opkrassen.

Een echte bezetting, mijnheer de directeur, loopt steevast uit op een hongerstaking.

Omdat dat uiteindelijk steeds de laatste uitweg is: twee maanden hongerstaken,

is gelijk aan drie maanden extra blijven.

Dat is een ongeschreven wet in dit land.

Daar kan u dan tegen zijn, maar zo werkt het spel nu eenmaal.

Tenzij wij het spel veranderen.

Ik ben ook tegen hongerstakingen.

Nochtans heb ik er intussen drie van dichtbij meegemaakt en met hart en ziel ondersteund.

Omdat je op een bepaald moment niet meer te kiezen hebt.

 

Ik heb me de laatste maanden zo boos gemaakt, mijnheer de directeur,

wanneer u een goedbedoelde actie organiseerde, maar die dan telkens opnieuw uitstelde

omdat het concept nog niet sterk genoeg ontwikkeld was.

          En als we een impact willen hebben moeten we met een sterk concept uit de hoek komen.

Vanuit artistiek standpunt begrijp ik dat.

Maar ik kan op mijn zolderkamer zoveel ludieke activiteiten tot de perfectie slijpen als ik wil,

voor hongerstakers tikt de tijd anders.

Mijn tijd is de hunne niet.

Zij vechten op leven en dood.

Misschien moesten wij eens theater maken op leven en dood.

Ik denk dat onze noodzaak dan wel snel duidelijk zou worden.

In ieder geval, als ik een constructieve bijdrage wil leveren aan een politieke strijd,

heb ik me te schikken naar een politieke agenda.

Daarop hebt u me gerepliceerd, mijnheer de directeur,

dat kunst niet ten dienste mag staan van politiek.

Terwijl uw inertie soms evenzeer politiek gemotiveerd is.

Ik heb me de laatste maanden zo boos gemaakt, mijnheer de directeur,

wanneer u me geld toestopte, zolang ik de naam van uw instelling

maar uit onze communicatie weerde.

Ik weet toevallig, mijnheer de directeur, dat u op elke verdieping van uw instelling

minstens drie waterkoelers hebt staan.

Zo'n waterkoeler was ons erg van pas gekomen, mijnheer de directeur.

Want hongerstakers drinken wat af.

Maar zo'n waterkoeler kon u me niet geven.

Want aan die waterkoeler hangt uw naamkaartje.

En uw naamkaartje mag niet in een ondergrondse kelder verzeilen.

Dus stopte u me geld toe.

En daar ben ik u nog steeds enorm dankbaar voor.

Maar beeld u eens in, mijnheer de directeur, wat er was gebeurd wanneer uw instelling

zich in naam en wezen volledig achter onze bezetting had geschaard.

Wanneer hongerende sans papiers uw scène hadden bezet en elke kunstenaar haar of zijn voorstelling aan een stervend decor had moeten aanpassen.

Wanneer u uw logistieke, organisatorische, dramaturgische en pers- en communicatiediensten

volledig ter onzer beschikking had gesteld.

En wij met het aanwezige intellectuele kapitaal het beleid hadden bestookt.

Wat voor een impact hadden we dan gehad?

Ik weet het, mijnheer de directeur,

u gelooft nog steeds dat revoluties ontstaan uit individuen, niet uit instituten.

En daarbij runt u nog steeds een culturele instelling en geen humanitaire organisatie.

Uw hoofdactiviteit is cultuur bedrijven.

Dat staat zo in uw statuten.

Maar als u ecologische-voetafdrukavonden kan organiseren, alternatieve-beurssysteemweekends,

virologische seminaries en dekolonisatieworkshops, hoe kan u dan beweren

dat menselijkheid niet onder uw bevoegdheid valt?

 

Ik heb me zo boos gemaakt, mijnheer de directeur,

toen u me achteraf feliciteerde met onze nominatie

en zei dat uw instelling onze acties misschien meer had kunnen ondersteunen.

Maar ik ben 26, ik heb gemakkelijk praten.

Dat meen ik oprecht.

Ik heb geen geld.

Ik heb geen naam.

Ik heb niets om op het spel te zetten - buiten mezelf.

 

Mocht u zo meteen de drang voelen om te applaudisseren, 

dan zou ik u willen vragen om te applaudisseren voor de volgende 9 mensen.

Niet omdat ze zo'n briljante theatermakers zijn.

Maar omdat zij hun leven hebben willen geven om te krijgen

waar niemand voor zou moeten vechten.

Constance, Francis, Yassin, Mourad, Rachid, Abdoulkarim, Patrick, Ibrahima, Bader,

merci.

(© 2019 by THOMAS BELLINCK)